woensdag 10 november 2010
Theorie der Kunsten Natuur
Vandaag was het eerste lesje TDK, we kregen een lange uitleg met voorbeelden van verschillende kunstenaars. Ik heb Antony Gormley toegewezen gekregen samen met Maaike.
dinsdag 9 november 2010
Stage dag numero uno
Het zonnetje liet zich nog lang niet zien, toen ik de auto instapte om op weg te gaan naar Winterswijk. De auto vol meiden, hartstikke gezellig, waardoor we uiteraard een afslag misten. Aïda moest nog even wachten in Doetinchem. Maar uiteindelijk kwamen we aan bij de school, welliswaar iets te laat, maar dit gaf niet. Dit werd al verwacht omdat de trein richting Winterswijk nogal waardeloos is, hij rijd niet (op tijd).
Gelukkig waren we wel op tijd voordat de eerste les begon, Dana kwam ons al te gemoed lopen. Loop maar met mij mee, dan gaan we gelijk het lokaal in, vertelde ze ons. Daar zat een klein klas je al 'braaf' te wachten. We stelden ons voor aan de ongeveer 15 leerlingen LWOO(LeerWeg Ondersteunend Onderwijs). Deze konden daarna aan het werk, want ze wouden niets over het weekend vertellen aan ons of hadden niets meegemaakt. Wij bespraken met Dana een beetje hoe het er aan toe gaat op de school, Dana werd vaak onderbroken door leerlingen. Later vertelde ze dat dit komt omdat je deze leerlingen stapsgewijs alle dingen moet uitleggen. Een opdracht volledig opgeven roept vaak vraagtekens op bij de leerlingen. Ook vertelde ze ons wat de school allemaal doet voor deze leerlingen, ze hebben o.a. een eigen locatie, maar hier vertel ik later meer over.
Na twee uur verhuisden we naar een andere locatie, Jan Stienstraweg, ook hier hadden we dezelfde klas als de uren ervoor. Nu hadden ze alleen tekenen, maar Dana gebruikte de les even als mentor les. Zo werd de leerlingen gevraagd naar welke richting ze het liefst naartoe wilden, of ze ergens problemen hebben, werden de vragen van leerlingen beantwoord en ze kregen de cijfers terug van een so van vorige week. Ik merkte vooral op dat deze leerlingen een erg goede mentor hebben. Deze les vloog voorbij en nu hadden we een pauze, die wel heel erg kort is, omdat we weer naar een andere locatie moesten vertrekken.
Nu zaten we op locatie Zonnebrink, het grootste gebouw en de locatie waar de andere twee dames (Astrid en Yvette) ook stage lopen. Als eerste hadden we een havo 3, ook hier stelden we ons voor. Er waren geen vragen en de leerlingen gingen aan de slag met het maken van een kerstkaart uit zelf uitgescheurde snippers uit tijdschriften. De heren in het gezelschap gingen mokkend toch aan het werk, maar zelf de heren hadden na een lesuurtje een mooie achtergrond gecreëerd. Omdat het lekker rustig was werd de radio erbij aangezet. Het opruimen ging in deze klas ook zonder enige problemen (wat een brave leerlingen). Maar dat was snel verdwenen toen met veel herrie de 2R (havo) klas kwam binnen stormen. Deze klas is groter als de vorige klas en heel erg druk. Wij konden ons amper voorstellen, omdat er continu overheen werd geschreeuwd. Heel vervelend. Wel werd er door een paar jongentjes nog gevraagd hoe oud we waren, heel grappig dat ze erna begonnen te giechelen als kleine meisjes. Toch ook wel schattig pupers. De klas kreeg een so tekenen (iets wat ik nog nooit heb gehad!) maar ondanks dat werd er nogsteeds onderling gekakeld met elkaar. Aïda en ik overlegden een beetje met elkaar hoe we dat zouden aanpakken, moeilijk hoor welke beslissing je dan moet nemen. Opmerkelijk vond ik het wel dat een jongen uit zich zelf ergens apart ging zitten, omdat hij zijn vriendjes irritant vond. Wel een heel goed eigen initiatief. De radio ging natuurlijk, in grote telleurstelling van de klas, niet aan. Maar beter ook, want het was mij al veel te druk in de klas.
Nu hadden we wel een hele pauze, we hoefden niet te verkassen deze keer. In de pauze kwamen we Astrid en Yvette tegen en werd er onderling, onder genot van een heerlijk warme soep (applaus voor de Driemark!), van alles uitgewisseld. Hoe het was natuurlijk, welke klassen we hadden gehad, wat we er van vonden en ga zo maar door. Nog snel een appeltje naar binnen proppen (jawel vitamientjes!) en door naar het volgende lokaal. Een trap omhoog, langs de mediatheek en dan... sta je op een zoldertje. Wat een grappig lokaaltje zeg. Hier hadden we H4C, geen tekenen of handvaardigheid dit maal, maar een CKV les. Het ging over de stad, met een beetje Arnhem (ook omdat ze hier een excursie naartoe hebben gehad voor CKV) als voorbeeld. Of je het verkeer er positief of negatief vind, of de winkels, de kunst enz. Uiteindelijk werd het klassikaal besproken en zag je wat iedereen had geantwoord. De leerlingen konden dan invullen of de klas er positief of negatief tegenvoer stond, daar rolden natuurlijk discussies uit. Onder tussen keken wij in wat verslagen die Dana, had nagekeken, van het uitje in Arnhem. Erg leuk om te lezen wat de leerlingen er van vonden. Met Dana hadden we het er nog over wat we ongeveer wilden gaan doen, van haar was van alles mogelijk en we mochten van alles voorstellen.
Omdat Astrid en Yvette al klaar waren mochten wij nu ook eerder naar huis, en om eerlijk te zijn vond ik dat helemaal niet erg. Ik had de knollen al aardig op, best vermoeiend weer de eerste stage dag.
Gelukkig waren we wel op tijd voordat de eerste les begon, Dana kwam ons al te gemoed lopen. Loop maar met mij mee, dan gaan we gelijk het lokaal in, vertelde ze ons. Daar zat een klein klas je al 'braaf' te wachten. We stelden ons voor aan de ongeveer 15 leerlingen LWOO(LeerWeg Ondersteunend Onderwijs). Deze konden daarna aan het werk, want ze wouden niets over het weekend vertellen aan ons of hadden niets meegemaakt. Wij bespraken met Dana een beetje hoe het er aan toe gaat op de school, Dana werd vaak onderbroken door leerlingen. Later vertelde ze dat dit komt omdat je deze leerlingen stapsgewijs alle dingen moet uitleggen. Een opdracht volledig opgeven roept vaak vraagtekens op bij de leerlingen. Ook vertelde ze ons wat de school allemaal doet voor deze leerlingen, ze hebben o.a. een eigen locatie, maar hier vertel ik later meer over.
Na twee uur verhuisden we naar een andere locatie, Jan Stienstraweg, ook hier hadden we dezelfde klas als de uren ervoor. Nu hadden ze alleen tekenen, maar Dana gebruikte de les even als mentor les. Zo werd de leerlingen gevraagd naar welke richting ze het liefst naartoe wilden, of ze ergens problemen hebben, werden de vragen van leerlingen beantwoord en ze kregen de cijfers terug van een so van vorige week. Ik merkte vooral op dat deze leerlingen een erg goede mentor hebben. Deze les vloog voorbij en nu hadden we een pauze, die wel heel erg kort is, omdat we weer naar een andere locatie moesten vertrekken.
Nu zaten we op locatie Zonnebrink, het grootste gebouw en de locatie waar de andere twee dames (Astrid en Yvette) ook stage lopen. Als eerste hadden we een havo 3, ook hier stelden we ons voor. Er waren geen vragen en de leerlingen gingen aan de slag met het maken van een kerstkaart uit zelf uitgescheurde snippers uit tijdschriften. De heren in het gezelschap gingen mokkend toch aan het werk, maar zelf de heren hadden na een lesuurtje een mooie achtergrond gecreëerd. Omdat het lekker rustig was werd de radio erbij aangezet. Het opruimen ging in deze klas ook zonder enige problemen (wat een brave leerlingen). Maar dat was snel verdwenen toen met veel herrie de 2R (havo) klas kwam binnen stormen. Deze klas is groter als de vorige klas en heel erg druk. Wij konden ons amper voorstellen, omdat er continu overheen werd geschreeuwd. Heel vervelend. Wel werd er door een paar jongentjes nog gevraagd hoe oud we waren, heel grappig dat ze erna begonnen te giechelen als kleine meisjes. Toch ook wel schattig pupers. De klas kreeg een so tekenen (iets wat ik nog nooit heb gehad!) maar ondanks dat werd er nogsteeds onderling gekakeld met elkaar. Aïda en ik overlegden een beetje met elkaar hoe we dat zouden aanpakken, moeilijk hoor welke beslissing je dan moet nemen. Opmerkelijk vond ik het wel dat een jongen uit zich zelf ergens apart ging zitten, omdat hij zijn vriendjes irritant vond. Wel een heel goed eigen initiatief. De radio ging natuurlijk, in grote telleurstelling van de klas, niet aan. Maar beter ook, want het was mij al veel te druk in de klas.
Nu hadden we wel een hele pauze, we hoefden niet te verkassen deze keer. In de pauze kwamen we Astrid en Yvette tegen en werd er onderling, onder genot van een heerlijk warme soep (applaus voor de Driemark!), van alles uitgewisseld. Hoe het was natuurlijk, welke klassen we hadden gehad, wat we er van vonden en ga zo maar door. Nog snel een appeltje naar binnen proppen (jawel vitamientjes!) en door naar het volgende lokaal. Een trap omhoog, langs de mediatheek en dan... sta je op een zoldertje. Wat een grappig lokaaltje zeg. Hier hadden we H4C, geen tekenen of handvaardigheid dit maal, maar een CKV les. Het ging over de stad, met een beetje Arnhem (ook omdat ze hier een excursie naartoe hebben gehad voor CKV) als voorbeeld. Of je het verkeer er positief of negatief vind, of de winkels, de kunst enz. Uiteindelijk werd het klassikaal besproken en zag je wat iedereen had geantwoord. De leerlingen konden dan invullen of de klas er positief of negatief tegenvoer stond, daar rolden natuurlijk discussies uit. Onder tussen keken wij in wat verslagen die Dana, had nagekeken, van het uitje in Arnhem. Erg leuk om te lezen wat de leerlingen er van vonden. Met Dana hadden we het er nog over wat we ongeveer wilden gaan doen, van haar was van alles mogelijk en we mochten van alles voorstellen.
Omdat Astrid en Yvette al klaar waren mochten wij nu ook eerder naar huis, en om eerlijk te zijn vond ik dat helemaal niet erg. Ik had de knollen al aardig op, best vermoeiend weer de eerste stage dag.
zondag 7 november 2010
Competenties
De stage komt er aan een belangrijk onderdeel daarvan is er even bij stil staan waar je nu staat, dit kun je na aanleiding van de competenties het makkelijkst verdelen.
Een beschrijving van de SBL-competenties
Hieronder zijn de competenties met een beknopte toelichting beschreven.
1. Interpersoonlijk competent
De leraar vo en bve moet ervoor zorgen dat er in de groepen waarmee hij werkt, een prettig leef- en werkklimaat heerst.
Een leraar die interpersoonlijk competent is, geeft op een goede manier leiding. Zo’n leraar schept een vriendelijke en coöperatieve sfeer en brengt een open communicatie tot stand.
Zo’n leraar bevordert de zelfstandigheid van de leerlingen/deelnemers en zoekt in zijn interactie met de leerlingen/deelnemers een goede balans tussen:
• leiden en begeleiden
• sturen en volgen
• confronteren en verzoenen
• corrigeren en stimuleren
2. Pedagogisch competent
De leraar vo en bve moet de leerlingen/deelnemers helpen een zelfstandig en verantwoordelijk persoon te worden die o.a. een goed beeld heeft van zijn ambities en mogelijkheden.
Een leraar vo en bve die pedagogisch competent is, biedt de leerlingen/deelnemers in een veilige leer- en werkomgeving houvast en structuur bij de keuzes die zij moeten maken en hij bevordert dat zij zich verder kunnen ontwikkelen. Zo’n leraar zorgt er voor dat de leerlingen/deelnemers:
• weten dat ze erbij horen, welkom zijn en gewaardeerd worden
• op een respectvolle manier met elkaar omgaan en uitgedaagd worden om verantwoordelijkheid voor elkaar te nemen
• initiatieven kunnen nemen en zelfstandig kunnen werken
• hun affiniteit en ambities leren ontdekken en op basis hiervan keuzes kunnen maken m.b.t. hun studie en loopbaan
3. Vakinhoudelijk en didactisch competent
De leraar vo en bve moet de leerlingen/deelnemers helpen zich de leerinhouden van een bepaald vak of beroep eigen te maken en vertrouwd te raken met de manier waarop die in het dagelijkse leven en in het werk gebruikt worden. Ook helpt hij de leerlingen/deelnemers zicht te krijgen op wat zij in de samenleving en in de wereld van het werken kunnen verwachten.
Een leraar die vakinhoudelijk en didactisch competent is, creëert een krachtige leeromgeving, o.a. door het leren in verband te brengen met realistische en voor de leerlingen/deelnemers relevante toepassingen van kennis in beroep en maatschappij
Zo’n leraar:
• stemt de leerinhouden en ook zijn doen en laten af op de leerlingen/deelnemers en houdt rekening met individuele verschillen
• bepaalt met de leerling diens (individuele) leertraject, met bijvoorbeeld mogelijkheden voor leren in en buiten school en leren in de context van de beroepsuitoefening
• motiveert de leerlingen/deelnemers voor hun leer- en werktaken, daagt hen uit om er het beste van te maken en helpt hen om ze met succes af te ronden
• leert de leerlingen/deelnemers leren en werken, ook van en met elkaar, om daarmee onder andere hun zelfstandigheid te bevorderen
4. Organisatorisch competent
De leraar vo en bve draagt zorg voor de organisatorische zaken die samenhangen met zijn onderwijs en het leerproces van de leerlingen/deelnemers in de school en op de werkplek
De leraar vo en bve die organisatorisch competent is, zorgt ervoor dat de leerlingen/deelnemers een ordelijke en taakgerichte omgeving treffen
Waar het leren zich op verschillende plaatsen afspeelt (bijvoorbeeld op verschillende plaatsen in de school, stages, leerbedrijf, buitenschoolse projecten) zorgt de leraar (eventueel in samenspraak met andere begeleiders) voor afstemming tussen de verschillende plaatsen.
Zo’n leraar zorgt er dus voor dat de leerlingen/deelnemers:
• weten waar ze aan toe zijn e welke ruimte ze hebben voor eigen initiatief
• weten wat ze moeten (of kunnen) doen, hoe en met welk doel ze dat moeten (of kunnen) doen.
5. Competent in samenwerken met collega’s
De leraar vo en bve moet ervoor zorgen dat zijn werk en dat van zijn collega’s in de school goed op elkaar zijn afgestemd. Hij moet ook bijdragen aan het goed functioneren van de schoolorganisatie.
Een leraar die competent is in het samenwerken met zijn collega’s, levert zijn bijdrage aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat op zijn school, aan goede onderlinge samenwerking en aan een goede schoolorganisatie.
Dat wil zeggen dat zo’n leraar:
• goed met collega’s communiceert en samenwerkt
• een constructieve bijdrage levert aan vergaderingen en andere vormen van schooloverleg en aan werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om de school goed te laten functioneren
• een bijdrage levert aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school
6. Competent in samenwerken met de omgeving
De leraar vo en bve moet contact onderhouden met de ouders of verzorgers van de leerlingen/deelnemers en met collega’s van (leer)bedrijven en instellingen waar zijn school voor het onderwijs en de leerlingen-/deelnemerszorg mee samenwerkt. Hij moet er ook voor zorgen dat zijn professionele handelen en dat van anderen buiten de school goed op elkaar afgestemd zijn. Bovendien moet hij er aan meewerken dat de samenwerking van zijn school met die bedrijven en instellingen goed verloopt.
Zo’n leraar zorgt ervoor dat:
• er een goede communicatie en afstemming is met ouders of verzorgers van de leerlingen/deelnemers
• er – in overleg met de leerling – een goede communicatie en afstemming is tussen school, leerling en bedrijven of instellingen waar de leerling (in het kader van zijn opleiding) mee te maken heeft
• er een doeltreffend gebruik gemaakt wordt van het professionele netwerk van de school als het gaat om de opleiding van de leerling of de zorg voor de leerling
• hij de contacten namens de school op een verantwoorde en zorgvuldige wijze onderhoudt met de omgeving van de school
7. Competent in reflectie en professionele ontwikkeling
De leraar vo en bve moet zich voortdurend verder ontwikkelen en verder professionaliseren.
Een leraar die competent is in reflectie en ontwikkeling, denkt regelmatig na over zijn beroepsopvattingen en zijn professionele bekwaamheid. Zo’n leraar streeft ernaar zijn beroepsuitoefening bij de tijd te houden en te verbeteren.
Zo’n leraar:
• Weet goed wat hij belangrijk vindt in zijn leraarschap en van welke waarden normen en onderwijskundige opvattingen hij uitgaat
• Heeft een goed beeld van zijn eigen competenties, zijn sterke en zwakke kanten
• Werkt op een planmatige manier aan zijn verdere ontwikkeling
• Stemt zijn eigen ontwikkeling af op het beleid van zijn school en benut de kansen die de school biedt om zich verder te ontwikkelen
Lijst van gedrag voor beginnende studenten in de praktijk per competentie
1. Interpersoonlijk competent
• Contact met leerlingen: Heeft amper zicht op wat leerlingen bezighoudt. Mijdt lastige leerlingen en situaties. Leidt (en lijdt).
• Communicatie: Communiceert moeizaam en luistert niet goed. Is eigen en andermans emoties niet de baas.
2. Pedagogisch competent
• Leeromgeving: Het (niet) handelen in de klas bevordert geregeld eerder chaos dan orde. Laat gedrag vrijwel volledig leiden door het groepsgebeuren.
• Leerlingen: Heeft vooral ook voor ‘de klas’ en amper voor individuele leerlingen.
3. Vakdidactisch competent
• Vakkennis: Loopt geregeld op tegen tekort aan inhoudelijke kennis. Volgt de inhoudelijke lijn van het schoolboek. Beargumenteert inhoudelijke keuzes niet. Schakelt amper tussen abstract en concreet. Maakt het vak (nog) niet aantrekkelijk voor leerlingen, is (nog) niet bezig met de vraag naar relevantie.
• Leeractiviteiten: koppelt leeractiviteiten niet aan leerdoelen. Is weinig gericht op leeropbrengst. Gebruikt vrijwel alleen aanbiedende werkvormen.
• Differentiatie: Maakt amper onderscheid tussen leerlingen. Spijkert bij met standaardoefeningen.
• Evaluatie: Gebruikt toetsen en correctiemodellen van collega’s of het schoolboek.
4. Organisatorisch competent
• Leeromgeving: Geeft opdrachten zonder doelen en verwachtingen. Bereidt alleen eigen aandeel in de les voor. Heeft sporadisch overzicht tijdens de les.
• Planning: Onrealistisch en weinig flexibel in de planning. Organisatie-eenheid in de les.
5. Competent in het samenwerken met collega’s
• Delen en deelnemen: Heeft vrijwel alleen contact met spd. Loopt (observerend) mee in een team. Verkent het pedagogisch-didactisch klimaat.
• Grenzen: Ondergaat werkdruk zonder grenzen aan de geven.
6. Competent in het samenwerken met de omgeving
• Doelmatig contact: Schrikt terug voor contact met de omgeving. Levert als gesprekspartner nog nauwelijks constructieve bijdragen.
7. Competent in reflectie en onderzoek ten dienste van ontwikkeling
• Zelfbeeld: Heeft nog geen realistisch beeld van eigen sterke en zwakke kanten.
• Reflecteren: Reflecteert nog amper op het eigen handelen.
• Onderzoeken: Onderzoek met betrekking tot de beroepspraktijk is nog geen punt van overweging in het dagelijks handelen als docent.
Een beschrijving van de SBL-competenties
Hieronder zijn de competenties met een beknopte toelichting beschreven.
1. Interpersoonlijk competent
De leraar vo en bve moet ervoor zorgen dat er in de groepen waarmee hij werkt, een prettig leef- en werkklimaat heerst.
Een leraar die interpersoonlijk competent is, geeft op een goede manier leiding. Zo’n leraar schept een vriendelijke en coöperatieve sfeer en brengt een open communicatie tot stand.
Zo’n leraar bevordert de zelfstandigheid van de leerlingen/deelnemers en zoekt in zijn interactie met de leerlingen/deelnemers een goede balans tussen:
• leiden en begeleiden
• sturen en volgen
• confronteren en verzoenen
• corrigeren en stimuleren
2. Pedagogisch competent
De leraar vo en bve moet de leerlingen/deelnemers helpen een zelfstandig en verantwoordelijk persoon te worden die o.a. een goed beeld heeft van zijn ambities en mogelijkheden.
Een leraar vo en bve die pedagogisch competent is, biedt de leerlingen/deelnemers in een veilige leer- en werkomgeving houvast en structuur bij de keuzes die zij moeten maken en hij bevordert dat zij zich verder kunnen ontwikkelen. Zo’n leraar zorgt er voor dat de leerlingen/deelnemers:
• weten dat ze erbij horen, welkom zijn en gewaardeerd worden
• op een respectvolle manier met elkaar omgaan en uitgedaagd worden om verantwoordelijkheid voor elkaar te nemen
• initiatieven kunnen nemen en zelfstandig kunnen werken
• hun affiniteit en ambities leren ontdekken en op basis hiervan keuzes kunnen maken m.b.t. hun studie en loopbaan
3. Vakinhoudelijk en didactisch competent
De leraar vo en bve moet de leerlingen/deelnemers helpen zich de leerinhouden van een bepaald vak of beroep eigen te maken en vertrouwd te raken met de manier waarop die in het dagelijkse leven en in het werk gebruikt worden. Ook helpt hij de leerlingen/deelnemers zicht te krijgen op wat zij in de samenleving en in de wereld van het werken kunnen verwachten.
Een leraar die vakinhoudelijk en didactisch competent is, creëert een krachtige leeromgeving, o.a. door het leren in verband te brengen met realistische en voor de leerlingen/deelnemers relevante toepassingen van kennis in beroep en maatschappij
Zo’n leraar:
• stemt de leerinhouden en ook zijn doen en laten af op de leerlingen/deelnemers en houdt rekening met individuele verschillen
• bepaalt met de leerling diens (individuele) leertraject, met bijvoorbeeld mogelijkheden voor leren in en buiten school en leren in de context van de beroepsuitoefening
• motiveert de leerlingen/deelnemers voor hun leer- en werktaken, daagt hen uit om er het beste van te maken en helpt hen om ze met succes af te ronden
• leert de leerlingen/deelnemers leren en werken, ook van en met elkaar, om daarmee onder andere hun zelfstandigheid te bevorderen
4. Organisatorisch competent
De leraar vo en bve draagt zorg voor de organisatorische zaken die samenhangen met zijn onderwijs en het leerproces van de leerlingen/deelnemers in de school en op de werkplek
De leraar vo en bve die organisatorisch competent is, zorgt ervoor dat de leerlingen/deelnemers een ordelijke en taakgerichte omgeving treffen
Waar het leren zich op verschillende plaatsen afspeelt (bijvoorbeeld op verschillende plaatsen in de school, stages, leerbedrijf, buitenschoolse projecten) zorgt de leraar (eventueel in samenspraak met andere begeleiders) voor afstemming tussen de verschillende plaatsen.
Zo’n leraar zorgt er dus voor dat de leerlingen/deelnemers:
• weten waar ze aan toe zijn e welke ruimte ze hebben voor eigen initiatief
• weten wat ze moeten (of kunnen) doen, hoe en met welk doel ze dat moeten (of kunnen) doen.
5. Competent in samenwerken met collega’s
De leraar vo en bve moet ervoor zorgen dat zijn werk en dat van zijn collega’s in de school goed op elkaar zijn afgestemd. Hij moet ook bijdragen aan het goed functioneren van de schoolorganisatie.
Een leraar die competent is in het samenwerken met zijn collega’s, levert zijn bijdrage aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat op zijn school, aan goede onderlinge samenwerking en aan een goede schoolorganisatie.
Dat wil zeggen dat zo’n leraar:
• goed met collega’s communiceert en samenwerkt
• een constructieve bijdrage levert aan vergaderingen en andere vormen van schooloverleg en aan werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd om de school goed te laten functioneren
• een bijdrage levert aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school
6. Competent in samenwerken met de omgeving
De leraar vo en bve moet contact onderhouden met de ouders of verzorgers van de leerlingen/deelnemers en met collega’s van (leer)bedrijven en instellingen waar zijn school voor het onderwijs en de leerlingen-/deelnemerszorg mee samenwerkt. Hij moet er ook voor zorgen dat zijn professionele handelen en dat van anderen buiten de school goed op elkaar afgestemd zijn. Bovendien moet hij er aan meewerken dat de samenwerking van zijn school met die bedrijven en instellingen goed verloopt.
Zo’n leraar zorgt ervoor dat:
• er een goede communicatie en afstemming is met ouders of verzorgers van de leerlingen/deelnemers
• er – in overleg met de leerling – een goede communicatie en afstemming is tussen school, leerling en bedrijven of instellingen waar de leerling (in het kader van zijn opleiding) mee te maken heeft
• er een doeltreffend gebruik gemaakt wordt van het professionele netwerk van de school als het gaat om de opleiding van de leerling of de zorg voor de leerling
• hij de contacten namens de school op een verantwoorde en zorgvuldige wijze onderhoudt met de omgeving van de school
7. Competent in reflectie en professionele ontwikkeling
De leraar vo en bve moet zich voortdurend verder ontwikkelen en verder professionaliseren.
Een leraar die competent is in reflectie en ontwikkeling, denkt regelmatig na over zijn beroepsopvattingen en zijn professionele bekwaamheid. Zo’n leraar streeft ernaar zijn beroepsuitoefening bij de tijd te houden en te verbeteren.
Zo’n leraar:
• Weet goed wat hij belangrijk vindt in zijn leraarschap en van welke waarden normen en onderwijskundige opvattingen hij uitgaat
• Heeft een goed beeld van zijn eigen competenties, zijn sterke en zwakke kanten
• Werkt op een planmatige manier aan zijn verdere ontwikkeling
• Stemt zijn eigen ontwikkeling af op het beleid van zijn school en benut de kansen die de school biedt om zich verder te ontwikkelen
Lijst van gedrag voor beginnende studenten in de praktijk per competentie
1. Interpersoonlijk competent
• Contact met leerlingen: Heeft amper zicht op wat leerlingen bezighoudt. Mijdt lastige leerlingen en situaties. Leidt (en lijdt).
• Communicatie: Communiceert moeizaam en luistert niet goed. Is eigen en andermans emoties niet de baas.
2. Pedagogisch competent
• Leeromgeving: Het (niet) handelen in de klas bevordert geregeld eerder chaos dan orde. Laat gedrag vrijwel volledig leiden door het groepsgebeuren.
• Leerlingen: Heeft vooral ook voor ‘de klas’ en amper voor individuele leerlingen.
3. Vakdidactisch competent
• Vakkennis: Loopt geregeld op tegen tekort aan inhoudelijke kennis. Volgt de inhoudelijke lijn van het schoolboek. Beargumenteert inhoudelijke keuzes niet. Schakelt amper tussen abstract en concreet. Maakt het vak (nog) niet aantrekkelijk voor leerlingen, is (nog) niet bezig met de vraag naar relevantie.
• Leeractiviteiten: koppelt leeractiviteiten niet aan leerdoelen. Is weinig gericht op leeropbrengst. Gebruikt vrijwel alleen aanbiedende werkvormen.
• Differentiatie: Maakt amper onderscheid tussen leerlingen. Spijkert bij met standaardoefeningen.
• Evaluatie: Gebruikt toetsen en correctiemodellen van collega’s of het schoolboek.
4. Organisatorisch competent
• Leeromgeving: Geeft opdrachten zonder doelen en verwachtingen. Bereidt alleen eigen aandeel in de les voor. Heeft sporadisch overzicht tijdens de les.
• Planning: Onrealistisch en weinig flexibel in de planning. Organisatie-eenheid in de les.
5. Competent in het samenwerken met collega’s
• Delen en deelnemen: Heeft vrijwel alleen contact met spd. Loopt (observerend) mee in een team. Verkent het pedagogisch-didactisch klimaat.
• Grenzen: Ondergaat werkdruk zonder grenzen aan de geven.
6. Competent in het samenwerken met de omgeving
• Doelmatig contact: Schrikt terug voor contact met de omgeving. Levert als gesprekspartner nog nauwelijks constructieve bijdragen.
7. Competent in reflectie en onderzoek ten dienste van ontwikkeling
• Zelfbeeld: Heeft nog geen realistisch beeld van eigen sterke en zwakke kanten.
• Reflecteren: Reflecteert nog amper op het eigen handelen.
• Onderzoeken: Onderzoek met betrekking tot de beroepspraktijk is nog geen punt van overweging in het dagelijks handelen als docent.
vrijdag 5 november 2010
Steen
Neem een steen mee en teken deze in de maten extra small, small, medium, large en extra large. Of te wel allerlei groottes. Voila. En nee ik vond dit niet leuk. Marlies had wel tijdens de les een complete potlood op getekend. Bijzonder.
donderdag 4 november 2010
Stilleven
Een stilleven voor de les van Rinke, uit een kast vol frutsels mocht je wat kiezen. Ik heb dit zo bij elkaar gezet.
Ons eerste stilleven, moeilijk maar leuk. Lijkt niet, geeft niet.
Vond het onthoofde poppetje nog het meest zielig. Lag daar in de kreukels zonder hoofdje en kleertjes. Arm ding.
Ons eerste stilleven, moeilijk maar leuk. Lijkt niet, geeft niet.
Vond het onthoofde poppetje nog het meest zielig. Lag daar in de kreukels zonder hoofdje en kleertjes. Arm ding.
Abonneren op:
Posts (Atom)




